naar de home-pagina  

(vervolg)
Eén en ander blijkt uit zijn dagboeken die hij van 1974 tot 1994 bijhoudt. In meer dan dertig dikke schriften legt hij bijna dagelijks zijn "geestelijke staat" vast. Zijn dagboeknotities gaan van hoogtepunt naar dieptepunt,soms zelfs in één zin.Een grote voorliefde voor het paradoxale, voor allerlei woordspelingen en barokke zinswendingen vind je terug in zijn notities, zoals bijvoorbeeld:

 “Genade, dan moet je naar de hel en je hoeft niet naar de hel” 
 
In alles wat hij heeft geschreven geen spoor van reflectie op zijn leven als kunstenaar. Het gaat alleen over zijn ziel en zijn zaligheid, in bewoordingen die doen vermoeden dat hij zich zelfs in de Gereformeerde Gemeenten, zoals die zich in de jaren zeventig en tachtig ontwikkelden, niet meer thuis kon voelen. Want de oude schrijvers, “veel geprezen, maar weinig gelezen” had hij niet alleen bijzonder hoog, maar ook goed gelezen. Hij kende hun gedachtengoed en gebruikte hun formuleringen als een echte ingewijde. Maar niet alleen hun gedachtengoed, zijn hele beleving van het geloof lag in de lijn van een eeuwenoude mystiek.
Hij tekende en hij schilderde.
Zijn geestes-en gevoelsleven weerspiegelen zich in zijn tekeningen en vormen daardoor één geheel met zijn dagboeken.

Het hoogtepunt van zijn kunstenaarsschap ligt in de periode 1955 - 1975, een periode waarin hij niet alleen een hoge productie had, maar ook een eigen stijl ontwikkelde.  
(terug naar intro)

Tekst ontleend aan grafrede van Henk Goeman bij de begrafenis van Piet Meeuwse en tekst van Krijn Polinder, schrijver van "Een rank van de ware wijnstok"